31.12.07

Oudjaar.


Het is overwegend grijs weer vandaag. Tussendoor flarden blauwe lucht en af en toe komt dan de zon erdoor. De fietser voelt even wat warmte op zijn gezicht. De akkers zijn kaal. Ook de stoppels die een paar weken geleden nog goed te zien waren, zijn bijna verdwenen. Op sommige stukken wordt de grond bedekt door een grillig patroon van bandensporen. Het water in de sloten staat laag. Vreemd eigenlijk, omdat het de afgelopen weken toch een aantal malen heeft geregend. In een sloot langs de oostelijke weg is het water doorzichtig rood, wat normaal gesproken wijst op een hoog ijzergehalte. Waar zou 't hier vandaan komen? Voor de kerk is een kerststal gebouwd. Grote groene takken overdekken een donkere ruimte waarin de figuren niet direct zichtbaar zijn. Ernaast een kraam waar de kleumende bezoekers een warme drank of iets hartigs kunnen bestellen. Aan de overkant van de kruising lopen een man en een vrouw. Ze dragen identieke rode jassen en vermoedelijk horen ze bij elkaar. De man heeft een klein hondje aangelijnd. Het hondje probeert de kruising over te steken en gaat met zijn volle gewicht aan de lange lijn hangen. De man spreekt hem vermanend toe. Ondertussen loopt de vrouw op en neer over het trottoir tegenover de kerk. Het lijkt alsof ze de kruising willen oversteken, maar om een of andere reden aarzelen ze. De vrouw heeft een landkaart in haar hand die ze strak vasthoudt. Het is fris en er staat een lichte noordwestenwind. De fietser voelt het vooral op de noordelijke weg. Het is niet onaangenaam. De temperatuur is goed te verdragen. Over een zijstraat van de noordelijke weg rijdt een zwarte auto langzaam voor de fietser uit. Hij is op een flinke afstand die hij ongeveer handhaaft. Af en toe lichten zijn remlichten op. Fel rode punten in de grijze verte. Pas na een half uur begint het zadel goed te voelen. De fietser probeert een comfortabele positie te vinden.

16.12.07

Evenwicht.

Het gras in de berm is koud en hard. Onbeweeglijk door de vorst ligt het platsgeslagen in grillige vormen. Je ziet het als je even pauzeert. De warme adem van het stevige fietsen condenseert direct in de vrieskou. Dikke wolken omhullen je op een heldere dag. De torenspits van Zondereigen steekt af tegen de blauwe hemel. Het landschap ligt in een nietsonziend licht. Het lijkt alsof je pas eerst nu de dingen kunt zien zoals ze zijn. Zonder franje, zonder schaduwen, maar kaal en weerbarstig. De huizen die in de zomer iets zachts uitstraalden, iets aards, zijn harde steenklompen geworden. Ontoegankelijk, afgesloten om de koude buiten de houden. Het lijkt alsof de straat nog ongelijker is als anders. De fiets rammelt voort door de stille straat. Weer op het asfalt herademt de fiets die zich had schrap gezet. Je kunt weer verder rollen. Gelijkmatig het ritme hervindend. Ergens ligt het ideale punt waarop er niet teveel wordt gevraagd van het lichaam, waarop de kou om te dragen is, je toch redelijk vooruit komt en je het landschap nog in je kunt opnemen. Op dat moment is alles in evenwicht en je wenst zo nog vele kilometers te kunnen rijden.

9.12.07

De winterfietser.


Als de winterfietser vroeg opstaat, kan hij rijden in het licht van de opkomende zon. Vooropgesteld dat het een heldere dag is. Dat is vooral mooi als de zon net boven de horizon uit komt. Of boven de bomenrij. Terwijl de ochtendkou zich snel verspreid tussen de plooien van zijn fietskleding, en een dunne wolkenstreep voor de zon schuift, kijkt de fietser naar het warrige gras in de berm. De zon probeert zijn kleumende wangen te verwarmen. Door de bomen ziet hij doorkijkjes die hij al maanden vergeten was; het licht schijnt door de kale takken. Als de weg een bocht maakt wordt hij verblind door de zon. Instinctief knijpt hij in de remmen, bang voor een botsing of bang de weg niet meer te zien en in de natte sloot te belanden. Met toegeknenpen oogleden vervolgt hij zijn weg, zich concentrerend op het kleine stukje asfalt voor hem. Als de weg weer een bocht maakt passeert hij een zwart-nat veld waar de vuil-gele stoppels van het gemaaide mais nog in het gelid staan. Hij is onderweg.

1.12.07

Hetzelfde Rondje.

Sommige mensen lopen of fietsen iedere dag hetzelfde rondje en schijnen zich nooit te vervelen. Waarom is dat zo? Je mag veonderstellen dat het landschap op een bepaald moment bekend is geraakt. Je weet waar de bomen staan. Je weet wanneer de kerktoren van Zondereigen voor het eerst in zich zal komen. Als je vaak fietst kun je zelfs al voor je zien hoe het dorp er ongeveer bij zal liggen op dat tijdstip. Hoe de schaduwen over de straat vallen; hoeveel mensen er op straat zijn; of er veel tractoren onderweg zijn. De fietser heeft de omgeving in zich opgenomen en de omgeving is een stukje van hemzelf geworden. En waar hij ook heen fietst; de omgeving gaat met hem mee. Iedere keer hetzelfde rondje fietsen maakt je vertrouwd met de details. Door keer op keer hetzelfde in je op te nemen leer je het kennen. Het is misschien die behoefte om vertrouwd te raken met iets, die maakt dat sommigen mensen ervoor kiezen om steeds maar weer diezelfde weg te fietsen.