24.6.07

Aan het eind van de rit.

Het is niet makkelijk om te ontsnappen aan een leven dat je niet brengt wat je wilt. Dat is misschien de reden waarom mensen in stille wanhoop blijven leven. Achterliggend misschien de gedachte dat het niet mogelijk is om dat veranderen. Hoeveel mensen zouden blijvend wilen ontsnappen aan hun eigen leven? Ik denk dat het er niet zoveel zijn. Ook ontevreden mensen vinden vroeg of laat in hun eigen leven wel iets waar ze wel gelukkig mee zijn. Ze moeten eigenlijk wel, want ander zou het leven misschien niet leefbaar zijn. In zo’n situatie is het genoeg om er af en toe even uit te stappen; om op de fiets te stappen. Dan ga je onderweg naar Zondereigen; niet om er te blijven, maar om er even doorheen te rijden. Dan ben je onderweg en je laat even alles los dat je anders zo zorgelijk maakte. Op de fiets hoef je alleen maar voor je uit te kijken en dat ia ook erg belangrijk anders ga je onverhoeds op je neus. De meeste dagjesmensen zitten niet op de fiets om van A naar B te komen, maar omdat het leuk is om onderweg te zijn. Onderweg naar Zondereigen rijd je door de tijd; beter gezegd lijkt er even geen tijd meer te bestaan, tot je er bent. Je kunt er niet blijven; vroeg of laat gaat Schuttershof dicht; vroeg of laat moet je weer verder. Misschien om er dan weer terug te komen. Wat heb je dan geleerd onderweg? Je hebt iets over het landschap geleerd. Dat het rustgevend is om door de open ruimte te fietsen, omringd door bossen en weilanden. Je hebt een dorp gezien dat niet levendig is, maar wel leeft. Misschien is het wel zoiets. Onderweg op je fiets heb je even gevoeld dat er meer is dan het dagelijks leven en dat je alleen maar op de fiets hoeft te stappen om het achter je te laten.

23.6.07

Het kwaliteitsprobleem

De vraag is hoe een landschap met zo weinig variatie een dergelijke aantrekkingskracht kan uitoefenen. Wat is er interessant aan rechte lijnen en kleuren uit een beperkt palet? Volgens Pirsig is kwaliteit niet te definieren. Het is iets wat je kunt waarnemen, kunt herkennen, maar niet vastleggen in omschrijvingen. Maar wat neem je dan waar als er niets te omschrijven valt? Waar komen al die fietsers voor? Het probleem is, dat je gaat vastlopen zodra je probeert om kwaliteit in een omschrijving te vangen. En toch is dat wat je graag zou willen. Waarschijnlijk omdat je zo bent opgevoed. Waarom is de ene wasmachine beter dan de ander? Waarom is de ene fiets beter dan de andere? Dat is niet alleen van subjectieve factoren afhankelijk. Wasmachines kun je testen. Je kunt bekijken hoe goed ze bij vergelijkbare programma’s, vergelijkbare vlekken verwijderen. Of je kunt proberen de tijd te meten die verstrijkt tot aan het moment dat zich de eerste technische problemen gaan voordoen. Maar hoe kun je iets meten dat je waarneemt als je door een dorp fietst? Je moet in ieder geval je eigen gevoel serieus kunnen nemen. Misschien niet iets dat iedereen van nature gegeven is.

19.6.07

Maisland

De ruimte geeft je het gevoel dat je in de natuur bent, maar eigenlijk is het landschap rond Zondereigen niets anders dan een grote landbouwfabriek. Het is natuur en het is geindustrialiseerd. Dit landschap is met horten en stoten zo gegroeid en vooral in de twintigste eeuw in dit proces terecht gekomen. Door mechanisatie werd het voor kleine boeren mogelijk om grotere percelen te bewerken. En was meer productie nodig om de aanschaf van de grotere landbouwwerktuigen te bekostigen. Het voornaamste gewas in late lente en zomer is de mais. Dat groeit goed op de bodem; het levert ook goed op bij de verkoop. Meestal is het bestemd voor gebruik als veevoeder. Daarnaast ook veel weiland waar dan het vee, koeienen schapen , graast. Wat is nu het paradoxale van deze situatie? De stedeling die er fietst ervaart vooral de ruimte; rijdt er misschien doorheen met het idee dat hij een ongerept landschap passeert. En dat is niet zo. Het landschap om Zondereigen is veranderd door industrialisatie en schaalvergroting zoals dat ook het uiterlijk van de stad heeft veranderd. Ondanks dat is het ruimtelijk gevoel bewaard gebleven en dat blijft een grote kwaliteit van dit landschap.

Meditatief Landschap

Op het eerste gezicht heeft het landschap weinig aantrekkelijks. Het kenmerkt zich door veel rechte lijnen. Lange rijen van bomen, langs de rand van een veld. Of de rechte lijnen in een veld vol mais dat zich uitstrekt tot aan de horizon. Het landschap is vlak en de horizon is recht. Hoe je ook kijkt, je kijkt bijna altijd de diepte in. Er is ook een bepaalde eenvormigheid van kleur; overheersend groen. Groen in vele variaties. Geen spetterende kleuren. Geen spetterende kleuren die je ogen vermoeien. In de winter, als de velden braak liggen, kaalgeploegd, is er ook veel zwart, aardekleuren. De lucht, in de zomer soms helderblauw, is vaker gewoon grijs. Soms donkergrijs als de buien over het landschap jagen en soms ook heel licht, met lichte plekken door de bewolking heen. Alles bij elkaar een landschap met zo weinig afwisseling dat je vanzelf rustig wordt als je er doorheen fietst. Een meditatief landschap eigenlijk. Daarin schuilt de aantrekkingskracht.

12.6.07

Knooppunt Nr. 8.


Sinds een paar jaar is er in Vlaanderen een netwerk van knoopunten voor fietsers uitgezet. Alle knooppunten zijn met elkaar verbonden en zo is het voor de individuele fietser mogelijk om een eigen route samen te stellen. Het schijnt zo te zijn dat deze manier van bewegwijzeren is bedacht in de steenkoolmijnen van belgisch Limburg. Het is een succes dat ook in Nederland navolging heeft gevonden. In Noord-Brabant, Zeeland en enkele andere provincies zijn soortgelijke netwerken uitgezet. In Zondereigen bevindt zich een knoopunt van het netwerk antwerpse Kempen; knooppunt nr. 8. Het had niet mooier gesitueerd kunnen zijn. Het ligt namelijk precies op de kruising waar vanuit noord, zuid, oost en west de toegangswegen bij elkaar komen. Het maakt dus niet uit uit welke richting je komt. Je kun vandaar af altijd verder in het knoopuntennetwerk. Natuurlijk is het ook mogelijk om het netwerk niet te gebruiken en toch de omgeving te verkennen, maar de samenstellers hebben moeite gedaan om mooie wegen uit te zoeken. In ieder geval de moeite waard. Knnoopunt nr. 8 valt samen met het centrum van Zondereigen.

De noordelijke weg(3)

Het laatste stuk van de weg is tegelijkertijd het meest bijzondere. Nadat je het bordje dat de gemeentegrens aangeeft bent gepasseerd, komen na een paar honderd meter de eerste huizen. En voor je de bebouwde kom binnen rijd, kun je rechts tussen de bomen langs de weg de kerktoren al zien. Die bomen op het laatste stuk zijn iets bijzonders. Het lijken wel fruitbomen. Ergens roept het ook herinneringen op daan de toegangsweg naar de Cocksdorp op Texel. Aan de linkerhand passeer je nog het kerkhof dat van de weg wordt afgescheiden door een grote haag. En dan ben je in het dorp. De middelgrote bomen maken plaats voor jonge aanplant. Verder is het een open straat die opvalt door de gemengde bebouwing. Oudere huizen met de karakteristieke rode vlaamse baksteen en de nieuwe strakke huizen. De noordelijke weg eindigt in het centrum van het dorp op een kruising.

De noordelijke weg (2).

Je vraagt je af hoe lang die weg er al ligt en wie er sindsdien al gepasseerd zijn. De eerste verwijzingen naar het dorp dateren van rond 1200 en de dorpsarcheologen (verwijzing naar website) hebben al sporen van veel oudere bewoning gevonden. Het is niet onwaarschijnlijk dat Zondereigen zelfs tot het terrein van de Neanderthalers heeft behoord. Voetreizigers, paarden, wagens met paarden en dan pas sinds een jaar of honderd auto's, bussen en vrachtwagens. Maar wat voor verkeer was dat dan? Wie wilde er naar Zondereigen en waarom? Zo afgelegen als het nu is, was het vroeger ook. Waarschijnlijk nog veel meer. Naarmate je dichter bij het dorp komt, wordt ook duidelijk dat die weg er al langer ligt. En jammer genoeg weet je dan nog niet hoe lang al, als dat al vast te stellen zou zijn.

11.6.07

Dagjesfietsers en Weekendcoureurs

De beste manier om dit landschap te ontdekken is ongetwijfeld een fietstochtje. Met de auto gaat het veel te snel. Bovendien ligt Zondereigen afzijdig van de grotere verbindingswegen. Op de weg naar Zondereigen ontmoet je eigenlijk alleen maar reizigers die ook echt in Zondereigen willen zijn. Dat zou een soort gemeenschappelijkheid teweeg moeten brengen, maar dat gevoel is er niet altijd. Ook sommige fietsers gaan trouwens te snel om het landschap op z’n waarde te kunnen schatten. Vooral in de weekenden zie je kleine pelotonnetjes over de smalle wegen gaan. Dat zijn meestal Belgische wielerclubs bezig aan een trainingsronde. Gesponsord door de slager uit Herentals of de drogist uit Kasterlee. Die mannen maken flink tempo; zijn wat verder van huis, hebben er al een paar kilometers op zitten en zijn onderhand toe aan de thuisreis. De argeloze zondagsfietser wordt er soms door overvallen. Deze confrontatie speelt zich doorgaans aan het eind van de ochtend af. De vroege ochtend is het tijdstip voor de snelle renners. De middag en de vooravond (in de zomer) zijn voor de dagjesmensen die ook wel hun kilometers willen maken, maar het toch iets rustiger aanpakken.

Toch mag je niet de conclusie trekken dat de snelle renners geen oog hebben voor het landschap. Ze nemen het evengoed in zich op. Maar ze zijn ook voortdurend alert op de weg, vanwege hun eigen veiligheid. Er hoeft maar een steentje dwars te liggen en je ligt weer met een man of drie op het asfalt. Wie aan zijn veiligheid moet denken, kan zich niet concnetreren op de omgeving. De renner neemt het landschap waar vanuit de ooghoeken Het is niet voor niets dat hij er graag onderweg is. Het landschap is vlak; er staan nogal wat bomen die de kracht van de wind kunnen temperen en de dorpen liggen op een redelijke afstand van elkaar, zodat je op tijd een tussenstop kunt maken.

De dagjesfietser, herkenbaar aan een goede fiets, met bij voorkeur dikke banden, een stevig stuur en een geveerde voorvork, heeft meer tijd om het landschap in zich op te nemen. Maar voor de dagjesmens is gezelligheid in de groep even belangrijk als het het landschap. Zo lijkt het toch wel vaak. Dagjesfietser of weekendcoureur; ze nemen beide een eigen kijk op het landschap met zich mee. Misschien is wandelen nog een beter manier, maar om een of andere reden zie je weinig wandelaars, dus dat zal ook wel z’n beperkingen hebben.

10.6.07

Enclave



Het gebied ten noorden van Zondereigen is een enclave gebied. In totaal liggen er ongeveer vijftig. Stukjes Belgie die als een eilandje op Nederlands grondgebied liggen. En omgekeerd. De twee betrokken gemeentes Baarle-Hertog en Baarle-Nassau hebben in een gezamelijke poging geprobeerd om duidelijkheid voor bezoekers te scheppen. Alle huizen hebben een bordje met een huisnummer waaraan je kunt zien tot welk land het behoort. Soms loopt de grens door een huis. De afspraak is dan dat het huis hoort bij het land waar de voordeur uitkomt. Het klinkt bizar wanneer je niet met de situatie vertrouwd bent. Het trekt in ieder geval toeristen. Die komen af op verhalen over een grenslijn die over een biljart loopt. Je stoot af in Nederland en maakt een punt in Belgie. Een situatie die het produkt is van de geschiedenis en de rigiditeit van het staatkundig systeem. Ruilverkaveling heeft al jaren zijn intrede gedaan in de landbouw, maar landen verkavelen niet. Dan is er toch meer emotie mee gemoeid blijkbaar. Rondom Zondereigen en Baarle ligt de enclave-route. Je passeert daarin een aantal van de belangrijkste enclaves en je krijgt een mooie rit door het landschap. Je passeert de grens verschillende keren in 1 rit. Duizelingwekkend eigenlijk.

6.6.07

Het vlakke land.

Het is eigenlijk een landschap dat weinig tot de verbeelding spreekt. Niet dramatisch bedoel ik. Geen grote contrasten. Veel rechte lijnen, en veel groen, weliswaar in verschillende tinten. Je moet goed kijken om de verschillende facetten van het landschap te ontdekken. En dan zie je verschillen tussen de bomen, in soorten en vormen. Natuurlijk zie je ook huizen. Veel rode baksteen. Geen landschap dat kunstenaars heeft kunnen inspireren. Voorbeelden van landschapskunst uit deze streek zijn schaars. Gelukkig is er wel een liedje (oneerbiedig) chanson geschreven over een soortgelijk landschap. “Het vlakke land” van Jacques Brel bedoel ik. Ik kan het hier niet goed beschrijven je moet het horen. En dan eigenlijk ook nog zoals Brel het zingt. Er zijn wel andere vertolkingen. Van Liesbeth List bijvoorbeeld. Brel schildert met woorden een land dat wordt geteisterd door de seizoenen; dat machteloos het natuurgeweld moet ondergaan. De wind natuurlijk en de regen. De wind die beukt; de zon die het landschap schroeit in juli. Geen wonder haast zou je denken dat het een vlak land is geworden. Kijkend naar Zondereigen is er 1 zin die meer in het bijzonder van toepassing lijkt te zijn. Brel noemt de kerktorens de enige bergen in dit landschap. En zo is het. Als je vanuit noord of west het dorp binnenrijd dan kun je de kerktoren al van veraf zien. Ze steekt boven het dorp uit. Ander hoogbouw is er niet. het oog wordt naar de kerktoren getrokken; ze trotseert de elementen die over het vlakke land jagen.

Anatomie van een Idylle

Wat is de bedoeling van deze tekst? Verduidelijken, verhelderen. De oorsprong ligt in een ogenblik van verwondering en herkenning. Dat zou kunnen. Misschien was het ook een besef wat opeens duidelijk werd. Ik ging me realiseren dat het dorp waar ik doorheen reed, snel doorheen reed, iets bijzonders was. Je zit op je fiets, kijkt uit over het landschap en je ziet aan de horizon het silhouet van een dorp. Je hebt het al vaker gezien, maar op dat moment gebeurt er iets dat je niet kent. Je ziet iets dat je daarvoor nog niet had gezien. En dan heeft zich een gevoel vastgezet. Wat me nu eigenlijk voor ogen staat is een onderzoek naar de achtergrond van dat moment. Hoe komt het dat ik op dat moement getroffen ben door dat beeld? Meestal laat ik het er bij. Je wordt getroffen en dat is al mooi genoeg. Maar het is niet genoeg als je de ingebakken neiging hebt om te willen verklaren en begrijpen wat je overkomt.

Ik zou dit gevoel willen koppelen aan het begrip kwaliteit. Daarmee bedoel ik niet kwaliteit in de gangbare zin van het woord. Het gaat iets verder.In 1974 publiceerde Robert Pirsig in de VS het boek “Zen en de kunst van het motoronderhoud”. Dat boek hield het midden tussen een roman en een filosofische tekst. Geen boek dat zich makkelijk in het ene of het andere genre ondergebracht kon worden. Wat hier van belang is dat Pirsig probeerde om aan het begrip kwaliteit een extra dimensie toe te voegen. Zijn hypothese was dat mensen zijn in staat om kwaliteit te herkennen, voordat ze in staat zijn om te beredenersn waaruit kwaliteit bestaat. Volgens Pirsig valt kwalitiet daarom ook niet te definieren. Het valt dus ook niet te verifieren volgens gangbare methoden. Maar je kunt het herkennen. Mijn veronderstelling is dat Zondereigen staat voor een bepaald soort kwaliteit. Iets dat je herkent wanneer je het ziet, bijvoorbeeld wanneer je komt aanrijden over de noordelijke weg en door tussen de bomen door het silhouet van de kerk ziet opdoemen. Op dat moment herken je de kwaliteit en als je daar gevoelig voor bent dan zoek je het ook op.

Tenslotte een andere veronderstelling. Het gaat nu de mystieke kant op, terwijl ik dat eigenlijk niet wil. Wat ik in deze tekst zou willen proberen te omschrijven, beschrijven misschien, is Zondereigen, in de hoop daarmee ook iets van de onderliggende kwaliteit aan de oppervlakte te brengen. Maar wat ga je dan precies beschrijven? Het dorp, de mensen die er wonen, hun bezigheden, het landschap? Het is een vraag. En voor mij niet een vraag met een pasklaar antwoord. Ik ga op zoek naar een antwoord zonder te weten waar ik ga uitkomen. In Zondereigen uiteindelijk, jazeker, maar hoe ik daar ga komen? Hier komt het Taoisme om de hoek kijken, ook al hield ik het liever nog buiten de deur. Mystiek gedoe maakt me wat onzeker. Maar de Tao is er voor mensen die onderweg gaan of zijn. En die ook weten waar ze naar toe willen; naar Wu Wei; naar het "Ongekerfde Blok". Een toestand van voor de ervaring. Ook een vorm van kwaliteit misschien.



Er zijn en Er komen

Onderweg zijn is soms even waardevol als er zijn. Sommige mensen geven de voorkeur aan onderweg zijn, boven ergens zijn. De nomade en de landbouwer. Dan denk ik weer aan de Songlines van Bruce Chatwin. De wegen die in het landschap zijn gekerfd. De wegen naar Zondereigen, liggen die er al even lang als het dorp. De bomen langs de noordkant doen zoiets vermoeden, hoewel die misschien ook maar vijftig jaar oud zijn. Vroeger was het misschien een karrespoor. De auto heeft ook hier het landschap verandert. Waar gaat het hier dus over? Over het er zijn; over in Zondereigen zijn? Proberen te verhelderen wat daar zo bijzonder aan zou kunnen zijn. Of gaat het over het onderweg zijn? Is dat een onderwerp? Het kost fysiek geen moeite er te komen. Het is geen dorp midden in een onbegaanbare woestijn. De weg is geasfalteerd, goed bewegwijzerd. Goed te vinden voor wie er naar op zoek is. Dat kan het dus niet zijn. Getting there en Being there. Dat zijn eigenlijk de twee dingen waar het over gaat. Wat is het fascinerende van een dorp als Zondereigen? Er zijn of er komen. Eigenlijk is het een weg terug naar een serene toestand van evenwicht en van zuiverheid. Het leven staat voor groei en ontwikkeling. In een dorp als Zondereigen merk je misschien dat groei en ontwikkeling uitmonden in verval, sterven en wedergeboorte. De cirkel van het leven. En ook al ken je alle wegen om te komen waar je zijn wil, is het dan makkelijker geworden om er te komen?

5.6.07

Oostweg

De oostelijke weg is misschien de moeilijkst begaanbare. Het beginpunt ligt in Wortel, preciezer in wortel kolonie. Ten oosten van het dorp wortel ligt een vezaemling huizen die in de negentiende eeuw werden neergezet voor landontginners. De grond is in cultuur gebracht maar de woningen zijn blijven staan. Nu ziet het er schilderachtig uit, maar in de beginjaren moet het er een hard leven zijn geweest voor de bewoners. Vanuit de bossen bij Wortel passeert de weg een recreatiegebied, waarveel kleine recreatiewoningen op percelen van wisselende grootte staan. Het maakt een wat rommelige indruk. Ze zijn getooid met onwaarschijnlijke namen als ‘ponderosa’. ‘amore mio’ en ‘desdemona’. Standbeelden, pergolas en veel tuinhout. Hier komen mensen naar toe om bij te komen van een jachtig leven. Na een paar kilometer maken de bossen plaats voor weilanden en hoewel de weg verhard is en Zondereigen ook al vlug zichtbaar wordt, blijft het rommelige gevoel aan je kleven en dat laat je pas echt in het dorp achter je.

4.6.07

Een weg van contrasten.

De westelijke weg ontspringt bij het bels lijntje. Dat is een fietspad dat van Tilburg naar Turnhout gaat. Vroeger was dit fietspad het traject van een treinverbinding. Een paar kilometer na Baarle-Nassau sla je af naar rechts (fietsknooppunt 87) en rijdt je in de richting van knooppunt 8. Dit voor de fietsers. Aan de linkerhand zie je het open veld. Je kijkt over de weilanden die zich uitstrekken tot aan de bossen bij de horizon. Direct aan je linkerhand ligt een bos. Daarin blijkt zich na een paar honderd meter een militair complex van het belgische leger te bevinden. Het ziet er wat verwaarloosd uit en ook de schaarse borden bevatten geen bevredigende informatie. Dan passeer je rechts nog twee boerderijen, terwijl daarachter nog steeds het uitgestrekte veld ligt. Dan gaat de weg een flauwe bocht maken en zie je de kerktoren van Zondereigen. Een bord geeft aan dat je de gemeentegrens hebt bereikt. Bebouwing is er dan eigenlijk nog niet. Dat komt na een paar honderd meter. Vooral nieuwbouwhuizen, dan rechts de school en vervolgens sta je al op de kruising.

Het is een weg van contrasten. Vooral het stuk met het bos aan de ene kant en de open weilanden aan de andere. Alsof je op de grens van twee werelden rijdt. Dit is natuurlijk een grensgebied, dus zo’n vreemde associatie is dat waarschijnlijk niet. De grens tussen Belgie en Nederland op deze plaats dateert van 1839. De grens tussen de noordelijke en zuidelijke nederlanden is een paar honderd jaar ouder. Een denkbeeldige lijn die er al lang zo ligt. De westelijke route ligt niet precies op die lijn, maar geeft je wel het gevoel je op een grens te bevinden. Pas als het bos aan de linkerhand ophoudt, laat je het grensgevoel achter je. Om over deze weg in Zondereigen te komen moet je eerst een tijd de grens volgen en er tenslotte overheen gaan. Dat is de westelijke route. Een weg die je confronteert met grenzen die je vroeg of laat over moet gaan als je een doel wilt bereiken. Je ziet er niet veel verkkeer. Soms een trekker of een auto, maar vaker nog fietsers onderweg naar of komend van Zondereigen.

2.6.07

Saai?

Zelfs als je op je gemak fietst, ben je er nog binnen vijf minuten doorheen. Als je hard fietst hoef je alleen maar even op te letten bij de kruising en dan kun je op snelheid weer verder en dan is Zondereigen niet meer dan de flits. 1 van de vele andere indrukken die de fietser opdoet in een lange rit. Langzamer fietsen bij doorkomst verdient de voorkeur, maar als het je echt interesseert ontkom je er niet aan om af te stappen. Dat is misschien de reden dat Zondereigen er wat onopgemerkt bij ligt. Je bent er zo doorheen. Als je er al heen wilt. In de zomer passeren regelmatig groepen fietsers het dorp. Het ligt aan een toeristische fietsroute. In de andere seizoenen is het fietsverkeer minder. Gewoon geen goed fietsweer. Veel mensen zie je niet op straat. Het leven lijkt zich elders af te spelen wat je op de gedachte zou kunnen brengen dat het leven in het dorp zelf tamelijk saai moet zijn. Maar van buitenaf valt dat niet te beoordelen. Het leven lijkt zich nog te voegen naar de seizoenen. Buiten in de zomer en de lente, binnen in de herfst en de winter. De meest levendige dagen in het dorp zijn die van de kermis. Net voorbij de kruising in zuidelijke richting is de straat afgesloten, maar via een omleiding kom je toch wel verder. Televisie, internet, het zal er allemaal wel zijn, maar het is de vraag of het veel heeft veranderd aan het leven in Zondereigen.

1.6.07

Noorderkempen

Zondereigen ligt in de Noorderkempen; het noordelijke gedeelte van de Kempen. Deze streek strekt zich uit over het grensgebied tussen Nederland en Belgie. Het is oude streek. Ze wordt gekenmerkt door een landschap van weilanden en bossen. Vroeger lagen er ook veel heidevelden. Het is altijd een arme streek geweest, omdat de zandgrond weinig opbracht. Grote steden waren er niet. Turnhout, Tilburg, Eindhoven zijn nu grotere plaatsen, maar tot aan de industriele revolutie aan het eind van de negentiende eeuw waren dit kleine plaatsen. Op de heidegrond werden schapen geweid die weer de grondtof leverden vor de wolindustrie. Pas de welvaartsgroei van de late twintigste eeuw zou het landschap ingrijpend gaan veranderen (schaalvergroting van landbouwbedrijven). De dorpen gingen groeien itt tot de ontvolking die je misschien zou verwachten. Tusen de grote steden veranderde het landschap omdat er meer grond in cultuur werd gebracht.