
Als de winterfietser vroeg opstaat, kan hij rijden in het licht van de opkomende zon. Vooropgesteld dat het een heldere dag is. Dat is vooral mooi als de zon net boven de horizon uit komt. Of boven de bomenrij. Terwijl de ochtendkou zich snel verspreid tussen de plooien van zijn fietskleding, en een dunne wolkenstreep voor de zon schuift, kijkt de fietser naar het warrige gras in de berm. De zon probeert zijn kleumende wangen te verwarmen. Door de bomen ziet hij doorkijkjes die hij al maanden vergeten was; het licht schijnt door de kale takken. Als de weg een bocht maakt wordt hij verblind door de zon. Instinctief knijpt hij in de remmen, bang voor een botsing of bang de weg niet meer te zien en in de natte sloot te belanden. Met toegeknenpen oogleden vervolgt hij zijn weg, zich concentrerend op het kleine stukje asfalt voor hem. Als de weg weer een bocht maakt passeert hij een zwart-nat veld waar de vuil-gele stoppels van het gemaaide mais nog in het gelid staan. Hij is onderweg.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten