Het gras in de berm is koud en hard. Onbeweeglijk door de vorst ligt het platsgeslagen in grillige vormen. Je ziet het als je even pauzeert. De warme adem van het stevige fietsen condenseert direct in de vrieskou. Dikke wolken omhullen je op een heldere dag. De torenspits van Zondereigen steekt af tegen de blauwe hemel. Het landschap ligt in een nietsonziend licht. Het lijkt alsof je pas eerst nu de dingen kunt zien zoals ze zijn. Zonder franje, zonder schaduwen, maar kaal en weerbarstig. De huizen die in de zomer iets zachts uitstraalden, iets aards, zijn harde steenklompen geworden. Ontoegankelijk, afgesloten om de koude buiten de houden. Het lijkt alsof de straat nog ongelijker is als anders. De fiets rammelt voort door de stille straat. Weer op het asfalt herademt de fiets die zich had schrap gezet. Je kunt weer verder rollen. Gelijkmatig het ritme hervindend. Ergens ligt het ideale punt waarop er niet teveel wordt gevraagd van het lichaam, waarop de kou om te dragen is, je toch redelijk vooruit komt en je het landschap nog in je kunt opnemen. Op dat moment is alles in evenwicht en je wenst zo nog vele kilometers te kunnen rijden.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten