4.4.09

Tegenpolen

Lente en herfst lijken op elkaar; zeker voor de fietser. Winderige seizoenen. Vlagen die opsteken vanuit het niets en je onverwacht vol aanvliegen of meevoeren. Levendige luchten, soms helderblauw met grote grijze watten, soms overkoepelend grijs, alsof de fietser zich voortbeweegt onder een stolp, waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Aan het eind van de herfst zijn de bomen vrijwel bladerloos net als nog halverwege de lente. De fietser wordt regelmatig nat, als hij tenminste zijn voorgenomen rondjes blijft draaien. Dat zijn de uiterlijke overeenkomsten.
Toch zijn ze ook elkaars tegenpolen in de jaarlijkse cyclus van de seizoenen. De herfst staat voor het verval; voor de laatste opflakkering van kleur voordat die even helemaal uit het landschap verdwijnt. De lente staat voor het nieuwe begin. Het kale van begin maart is heel anders dan het kale van eind november. Kou, donker en stilte liggen op ons te wachten in november.
De zon, het licht en de uitbundige natuur komen in maart weer langzaam tevoorschijn.
Door regen en wind wordt de voorjaarsfietser soms teruggeroepen naar de herfst. De zon maakt dat hij het voorjaar en de tijd van de langere ritten weer voor zich kan zien.

Geen opmerkingen: